Blogs

Energietransitie? Mobiliseer de investeringsbereidheid onder Brabantse burgers

dr. Susanne Agterbosch
   
10 december 2016

De overgang naar een CO2-neutrale samenleving is een zaak van iedereen: overheden, bewoners, bedrijven. Maar hoe doen we dat samen en op welke schaal? Vorige week organiseerde de Vereniging Brabantse Gemeenten (VBG) een themabijeenkomst over dit onderwerp. Bestuurders, beleidsmedewerkers en raadsleden lieten zich inspireren door het ‘Kantelcollege’ van Jan Rotmans – hoogleraar Transitiekunde – over de kanteling van het energiesysteem. Transities beginnen bijna altijd van onderop, aldus Rotmans. En de snelheid hangt samen met het organisatorisch vermogen op lokaal en regionaal niveau. Goed dus om eens in te zoomen op de mogelijkheden en het belang van lokale gemeenschappen, coöperaties en sociale netwerken voor de energietransitie in Brabant.

Eerst het beleid: de provincie heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn. Om deze ambitie te behalen, is een versnelling in de Brabantse samenleving noodzakelijk. De provincie werkt daarom samen met partners (Brabantse Energie Alliantie) aan een Uitvoeringsprogramma Energie, waarin vijf kansrijke versnellingspaden zijn uitgewerkt:

  1. Gebouwde omgeving,
  2. Smart and Green Mobility,
  3. Energieneutrale industrie,
  4. Sustainable energy yarming en
  5. Energieke landschappen.

Bij elk van deze versnellingspaden gaat het om creëren van draagvlak, mobiliseren van de Brabantse innovatiekracht en ruimte scheppen in de regelgeving. In het Uitvoeringsprogramma zijn bovendien heel specifieke doelen voor de inzet van burgers geformuleerd: in 2020 doen minimaal 100.000 Brabanders actief mee aan de energietransitie door bijvoorbeeld deelname aan een energiecoöperatie of een Nul-Op-de-Meter project. En 500.000 Brabanders hebben dan zelf geïnvesteerd in energiebesparing of duurzame energie.

Het PON monitort het provinciale Uitvoeringsprogramma Energie op het gebied van maatschappelijk draagvlak. Daarvoor is in mei 2016 – als 0-meting – een vragenlijst uitgezet onder de leden van het Brabantpanel. Dit panelonderzoek geeft een eerste inzicht in het draagvlak onder Brabanders voor toepassing van verschillende opties voor energiebesparing en duurzame energie.

De cijfers tonen aan dat er kansen zijn. Zo’n 850.0000 Brabanders – grofweg 340.000 huishoudens - zijn bereid meer dan 500 euro te investeren

Het blijkt dat Brabanders de verandering van het klimaat als problematisch ervaren. Het besef dat het gebruik van fossiele brandstoffen moet worden teruggedrongen is er: meer dan 80% van de Brabanders staat (zeer) positief tegenover het stimuleren van duurzame energie. Wanneer we kijken naar specifieke opties voor energiebesparing of opwekking en naar de investeringsbereidheid dan valt een aantal zaken op, die ik in samenhang onder de aandacht wil brengen:

  1. een derde van alle Brabanders is bereid om zelf in de toekomst energie op te wekken,
  2. bijna een derde van de Brabanders heeft nu al meer dan 500 euro geïnvesteerd in energiebesparende maatregelen (20% zelfs meer dan € 5.000,-) en eveneens een derde van de Brabanders is bereid om dit gaan doen,
  3. zo’n 6% van de Brabanders (150.000 Brabanders) neemt nu al deel aan een energiecoöperatie of windcollectief en een derde is bereid om dat te gaan doen en tot slot;
  4. een derde van de Brabanders is bereid om met straat- of buurtbewoners duurzame energie op te wekken, in te kopen of huizen te isoleren.

Deze cijfers tonen aan dat er kansen zijn. Zo’n 850.0000 Brabanders – grofweg 340.000 huishoudens – zijn bereid meer dan 500 euro te investeren. Bij elkaar betekent dat 170 miljoen euro particulier investeringskapitaal. Hoe slagen we erin deze investeringsbereidheid onder particulieren te mobiliseren?

Uit het panelonderzoek komt daarnaast naar voren dat zo’n 825.000 Brabanders – grofweg 330.000 huishoudens bereid zijn om deel te nemen aan een energiecoöperatie of windcollectief. Een vergelijkbaar aantal Brabanders is bereid om met straat- of buurtbewoners duurzame energie op te wekken. Energiecoöperaties en buurtgericht werken hebben dus potentie: juist om de investeringsbereidheid onder particulieren te mobiliseren. Daarmee ligt de koppeling tussen sociale veerkracht van de Brabantse samenleving en energieopwekking door particulieren ligt op een presenteerblaadje voor.

Uit de geschiedenis van de ontwikkeling van de markt voor duurzame energie blijkt dat de implementatiesnelheid voor een belangrijk deel wordt bepaald door (lokale en regionale) sociale en institutionele condities. Bij dat laatste gaat het om het geheel aan  regelgeving, beleid en procedures op het gebied van energie, ruimtelijke ordening en milieu. Sociale condities betreffen de uitvoering van en/of omgang met het institutionele kader, de belangen en percepties van actoren en samenwerking of concurrentie tussen stakeholders, (investeerders, ontwikkelaars, energiedistributiebedrijven, de netbeheerder, omwonenden, natuur -en milieuorganisaties, brancheorganisaties en diverse overheden). In wisselwerking bepalen deze condities de ontwikkeling van duurzaam vermogen door marktpartijen én door ondernemende burgers.

Lange tijd lag de nadruk in potentieelstudies naar duurzame energie op economische en technische condities. Het is noodzakelijk om deze potentieelstudies aan te vullen met sociale potentieelstudies als grondslag voor energiebeleid. Daadwerkelijk inzicht in de werking van sociale en institutionele condities kan wel eens de sleutel zijn tot het mobiliseren van particulier investeringskapitaal. Het vraagt om aandacht en ruimte voor coöperatieve organisatievormen en buurtgericht werken. En daarmee voor lokaal eigenaarschap.

 

Download de rapportage Duurzame energievoorziening in Brabant.